Jan Bontenbal (X-3) was meester-huisschilder van beroep en kwam uit een echte schildersfamilie. Zijn vader en zijn dre broers oefenden allen dit ambacht uit. Jan Bontenbal was echter de enige die beroepsmatig ook als kunstschilder werkte en zijn resultaten kunnen beslist als professioneel worden aangemerkt. De bekende Lexicon van Nederlandse Beeldende Kunstenaars van 1750 tot 1880, uitgegeven door P.A. Scheen, vermeldt hem als een landschapschilder.
Van 1847 tot 1864 exposeert Jan Bontenbal negentien keer op nationale tentoonstellingen. Deze werden gehouden onder de naam “Levende Meesters” in de steden Den Haag, Utrecht, Rotterdam, Amsterdam en Den Bosch. Daarmee bevond hij zich tussen een aantal bekende Nederlandse kunstschilders uit die tijd zoals: J.W. Bilders, J. Borsboom, W. Gruijters jr, H. Koekkoek, J.A. Kruseman, C. Leickert, C. Rochussen, A. Scheffer en J. Weissenbruch.
Veel van zijn werk maakte hij in en om zijn woonplaats Zevenhuizen en de titels van zijn schilderijen zijn op dit punt veelzeggend: Een landschap, Een Hollandsch landschap bij ondergaande zon, Een Hollandsch landschap bij buijig weder, Aan de Rotte onder Zevenhuizen, Gezigt op Zevenhuizen, Een gezigt bij het dorp Bleiswijk en Bij Rijswijk. Maar ook heeft hij geëxposeerd met schilderijen getiteld Bosch en Een Gelders landschap. Uit al deze titels kan geconcludeerd worden dat hij erop uittrok om naar de natuur te schilderen.
In 1848 stelde Jan Bontenbal aan de organisatoren van de tentoonstelling “Levende Meester” te Utrecht het schilderij “Hollandsch landschap bij buijig weder” ter beschikking. In de begeleidende brief vermeldde hij dat het voor de prijs van 55 gulden verkocht mocht worden. Van dit schilderij is door G.J. Bos een lithografie gemaakt en deze is daarna afgebeeld in het tijdschrift Kunstkronijk van 1854.

Bovenstaande figuur toont een ander schilderij van Jan Bontenbal. Een karakteristiek Hollandse wolkenlucht met daaronder het scherp gestoken silhouet van het dorp Zevenhuizen. Licht van de late avondzon valt op de daken van de woonhuizen en de toren van de hervormde kerk. Deze lichtwerking geeft dit schilderij uit 1860 een aantrekkelijk diepte-effect. Op de voorgrond zijn mensen en een bootje geschilderd om het geheel te verlevendigen. Een vrouw met een witte kap op haar hoofd en een man met hoed zijn in gesprek met een ruiter te paard. Vier kinderen, ook allen met een hoofdbedekking, staan er wat doelloos bij en wachten waarschijnlijk op hun ouders om de wandeling voort te zetten. In de roeiboot zitten twee mannen, terwijl een man op de walkant de boot met een touw naar zich toe trekt. Verder zien we rechts op de weg, voor het lage schuurtje, een paal met een witte kop staan. Blijkbaar was het toen ook al nodig om het ernaast liggende huis te beschermen tegen langsrijdende karren. Ook staat er een soort aanplakbord; de functie hiervan is onduidelijk. Wel duidelijk is de betekenis van de kleine hokjes die achter de twee huizen links op het schilderij zijn afgebeeld. Elke woning had wel zo’n hokje en bij woningen die gelegen waren aan de Ringvaart of de Bosgracht waren ze meestal boven het water gesitueerd. Zo ging dat in die tijd.
Wat verder naar achteren op het schilderij springt de witgeschilderde Catgesbrug over de Hennipsloot in het oog. Over de brug begint de Dorpsstraat met daaraan een aantal hoge huizen die duidelijk boven de andere uitsteken.
De schilder Jan Bontenbal woonde zelf ook aan de Dorpsstraat. Hij trouwde op 1-2-1872 te Zevenhuizen met Johanna Maria van Essen, dochter van Guillaume van Essen, grondeigenaar te Wassenaar, en Cornelia Hardenberg. Toen zij trouwden was Johanna anderhalf jaar weduwe van Gerrit Bontenbal, de drie jaar jongere broer van Jan. Johanna had uit haar eerste huwelijk een tweejarig dochtertje Jacoba Cornelia, vernoemd naar haar beide grootmoeders. Haar roepnaam was echter Koosje. Het meisje werd als enig kind opgevoed, omdat het huwelijk van Jan en Johanna kinderloos bleef. Zij erfde onder andere het hierboven afgebeelde schilderij van haar stiefvader Jan Bontenbal.
Bronvermelding
Het grootse deel van bovenstaande tekst is afkomstig uit ‘Het Zuid-Hollandse geslacht Bontenbal: de oudste twaalf generaties (Rijswijk, 2005)’ geschreven door P.J. Bontenbal.

