II – Leendert Claesz, herbergier tijdens de Tachtigjarige Oorlog

In het hoofdstuk over de familienaam is ervan uitgegaan dat de naam Bontenbal is afgeleid van een huisnaam, bijvoorbeeld “In den bonten bal”. Tevens is verondersteld dat het huis van de stamvader ook als herberg dienstdeed en dat het uithangbord van de herberg vermoedelijk versierd is geweest met een bal. Hiervoor is echter geen bewijsstuk gevonden en dus kan niet worden aangetoond dat de stamvader Claes Michielsz den Boentenbal een herberg bezat. Maar van zijn zoon Leendert Claesz Bontenbal (II-2) is dat wel het geval. Mogelijk is hij het geweest die het huis met de herberg van zijn vader heeft overgenomen.

Herbergier

Vijf aantekeningen in archiefstukken uit de periode 1579-1581 zijn gevonden waaruit valt op te maken dat Leendert herbergier was. Allereerst twee vermeldingen in het kasboek 1579/1580 van de Zevenhuizense ambachtsbewaarders.

  1. “Leendert Claesz Bonteball van dat de ruyters tenselven tijde verteerden tot zijnen huysse, 3 gulden en 14 stuivers”. Soldaten hebben zich blijkbaar goed laten bedienen in zijn herberg maar zijn hun financiële verplichtingen niet nagekomen.
  2. “denselven compt noch toe van dat tot sijnnen huyse aen bier gehaelt es van Ruyters die hem op de woning van Dirckge Gerritszoon self geforceert hadden, 18 stuivers”. Ook in het boek van de Zevenhuizense Steekrekening 1569-1619 staan twee identieke vermeldingen.
  3. In ORA Zevenhuizen staat dat Leendert in 1581 procedeert voor de schepenbank contra Willem Cornelis Breetveld en om betaling vraagt van 7 gulden en 3 stuivers voor verteerde gelagen.

Hoewel in al deze stukken niet over zijn herberg gesproken wordt, kan worden opgemaakt dat de verteringen daar hebben plaatsgevonden.

Waarschijnlijk hield Leendert zich alleen bezig met zijn herbergierschap en niet met landbouw, veehouderij of turfwinning. Hij bezat namelijk maar een klein stuk grond. In het register van de 10e penning van 1561 staat hij vermeld met acht hond land in de Catgespolder, groot genoeg voor een herberg maar niet voor de andere genoemde werkzaamheden. Daarnaast werkte hij wel In 1579 als collecteur van de bieraccijns en in 1585 en 4988 als pachter van de bieraccijns te Zevenhuizen. Ook wordt Leendert genoemd als collecteur van het hoorengelt, dus een belasting op vee. Verder wordt hij in 1585 tot 1588 genoemd als schotgaarder van het ambacht.

Tachtigjarige Oorlog

Aan de hiervoor genoemde jaartallen is te zien dat Leendert de perikelen van de Tachtigjarige Oorlog heeft meegemaakt. Vooral het jaar 1514 zal wel een onuitwisbare indruk op hem hebben gemaakt. Leiden was toen belegerd door de Spanjaarden en de hongersnood binnen de stad steeg dramatisch. Daarom werd op 30 juni door de Staten van Holland het besluit genomen om een rigoureus middel te hulp te roepen en Schie-, Delf- en Rijnland onder water te zetten.

Op 3 augustus was Willem van Oranje aanwezig bij het doorsteken van de IJsseldijk. Later volgde de Maasdijk aan beide zijden van Rotterdam en zo stroomde door zestien gaten het water over het land. Op 10 september vaart een geuzenvloot van ongeveer 270 platte schuiten onder leiding van Boisot vanuit Rotterdam en Delft langs vaarten en ondergelopen land naar de Landscheiding. De Zevenhuizenaren zullen ze wel langs hebben zien komen en het langdurig schieten gehoord hebben. Als een gevolg zijn drie watermolens verbrand, een molen van de Moerpolder en twee molens van de Catgespolder.

Bij de Landscheiding steken de geuzen de dijk tussen Schieland en Rijnland door. Daarna volgt de dijk van de Groeneweg en Rijnland begint onder te stromen. Maar dan is er tegenslag: op 17 september mislukt een aanval op de Voorweg. De vijand is 3000 man sterk en Boisot trekt zich terug. Enkele dagen later is er meer succes: op 19 en 20 september worden achtereenvolgens de Zegwaardseweg en Zoetermeer veroverd. De Spanjaarden trekken zich terug naar Zoeterwoude. De geuzenvloot vaart richting Leiden, maar komt spoedig stil te liggen omdat langs de vaarten naar Leiden krachtige versterkingen liggen en het water te laag staat om over het onder gelopen land naar Leiden te varen.

Het geluk komt in de vorm van een storm die, in combinatie met een springvloed, het Noordzeewater door de gaten in de IJssel- en Maasdijken drijft. Een plotseling optredende krachtige zuidwestenwind brengt het water verder het land binnen. Boisot kan zich met zijn schuiten weer bewegen en op 1 oktober drijft hij de Spanjaarden verder terug. Zij verliezen uiteindelijk de moed en verlaten heimelijk in de nacht de Lammenschans voor Leiden. Daarmee was op 3 oktober 1574 Leiden ontzet.

Al met al bleven voor Zevenhuizen de oorlogsperikelen beperkt. W. Paul schrijft in zijn artikel “Zevenhuizen in het begin van de Tachtigjarige Oorlog” (Verleden Tijdschrift nr. 51) dat naast het langstrekken van de Geuzen in 1574 er in 1675/1676 ook inkwartiering geweest is van een aantal Spanjaarden. Na hun vertrek, neemt het Zevenhuizens bestuur maatregelen om nieuwe dreigingen van Spaanse plunderingen het hoofd te bieden. Het laat de wegen naar het noorden en het zuiden opbreken en de bruggen in de weg naar Waddinxveen onklaar maken. Het door het water omgeven dorp werd hierdoor geïsoleerd.

Twee Spaanse soldaten die toch proberen Zevenhuizen binnen te komen, worden gearresteerd en naar Rotterdam gebracht. In 1575 moest Zevenhuizen ook 18 gulden betalen voor het Vendel van Jonkheer Aelbrecht van Egmond én acht mannen leveren voor het bouwen van verschansingen in Zeeland. Deze extra uitgaven en de problemen bij het innen van de jaarlijkse morgengelden van de gevluchte boeren van wie het land was ondergelopen, brachten de ambachtsbewaarders in problemen. Zij konden de geëiste afdracht aan Schieland vaak niet op tijd voldoen en verschillende malen is een der ambachtsbewaarders in Rotterdam in gijzeling genomen.

In 1579/1580 kregen de inwoners van Zevenhuizen weer met de oorlog te maken. Deze keer echter met soldaten van het Staatse leger. Ook geen lieverdjes, maar de schade bleef blijkbaar beperkt tot de onbetaalde rekeningen bij herbergier Leendert Bontenbal.

Bronvermelding

Bovenstaande tekst is afkomstig uit ‘Het Zuid-Hollandse geslacht Bontenbal: de oudste twaalf generaties (Rijswijk, 2005)’ geschreven door P.J. Bontenbal.