II – Michiel Claesz, ambachtsbewaarder van Zevenhuizen

Michiel Claesz Bontenbal (II-4) werkte waarschijnlijk hoofdzakelijk als landbouwer te Zevenhuizen. In 1561 wordt hij namelijk bij de Tiende Penning aangeslagen voor een stuk van drie hond en nog een perceel van vijf morgen. Ook in 1569 moest hij steekbelasting (een speciale  grondbelasting betalen. Voor vijf steek stond hij te boek ofwel 20 quartier en moest daarvoor 20 maal 6 stuivers is 120 stuivers steekbelasting afdragen aan het ambacht. Een flink bedrag en dus ook een flink grondoppervlak.

Maar de eerste informatie over zijn werkzaamheden betroffen heel ander werk te weten: vervoer en levering van scheepsladingen aarde, zand, klei en dergelijke aan het ambacht van Zevenhuizen.

Schuitenvoerder

In de rekeningen van de Catgespolder, als onderdeel van het kasboek van het Ambacht Zevenhuizen, is te lezen dat Claes Michielsz, al in 1558 werkzaamheden voor het ambacht uitvoerde. In dat jaar, hij is dan 23 jaar oud, levert Claes vijf scheepsladingen grond (baggert) voor de prijs van vier stuivers per schip. De twee dagen werk die er kennelijk mee gemoeid waren werden door het ambacht vergoed met 8 stuivers.

Drie jaar later, in 156], levert hij een schip klei voor 30 stuivers, twee scheepsladingen grond voor 18 stuivers en tot slot nog twee ladingen grond voor 18 stuivers. Daarna zijn er voor lange tijd geen werkzaamheden van Claes Michiels vermeld in de boeken. Maar in de kasboeken over de periode 1594 tot 1601 staat hij nagenoeg elk jaar vermeld, namelijk in de jaren:

  • 1594/1595 schip aarde 2 pond, 5 st.
  • 1595/1596 schip aarde 2 pond
  • 1596/1597 schip aarde, schip zand 2 pond 10 st.
  • 1597/1598 schip aarde 1 pond 18 st.
  • 1598/1599 2 schepen aarde 3 pond 10 st.
  • 1600/1601 schip hout 2 pond 15 st.
  • 1600/1601 schip hout 2 pond 19 st.

De vermelding in 1594/1595 luidde:

“Michiel Claes Bontenbal heeft gelevert op de culck (kolk) van de catges vaert een schip aerde omme den culck daer mede op te hoegen, t welck met openbaer opgelevert van ’t daer op bedongen 2 pond en 5 stuivers”. Of hij in dat jaar en de daarop volgende jaren zelf schuitenvoerder was, Is niet duidelijk. Het is twijfelachtig, want in het kasboek 1600/1601 staat: “noch heeft de selver Michiel Claes gebrocht of doen brengen een schip houts op den Moertsche Sijde, bij bestedingen aen genomen voor 2 pond en 19 stuivers”. Uit deze zin valt op te maken dat waarschijnlijk een knecht met het schip van Michiel Claesz dit werk heeft uitgevoerd.

Andere familieleden

Hoewel Claes Michielsz in veel aaneensluitende jaren dit soort werkzaamheden uitvoerde voor het ambacht, had hij blijkbaar niet het a leenrecht. Ook anderen van de familie Bontenbal worden genoemd. In 1584/1585 staat zijn broer Leendert Claesz Bontenbal vermeld voor “25 schouwen baggert” en in 1591/1592 zijn andere broer Jan Claesz Bontenbal voor “een schouwe aerde gebrocht op de Moersche cade, daer voren hij bedongen heeft 8 stuivers”. Waarschijnlijk was de familie Bontenbal in het bezit van een schuit of schip die door verschillende familieleden gebruikt werd.

Ook interessant is de vermelding in het kasboek 1593/94 dat een zekere Huijbrecht Cornelisz van Bleiswijck een schip klei gebracht heeft bij de nieuwe Catgesmolen. Misschien was deze Huybrecht verwant aan de Bontenbal familie want zijn voornaam is dezelfde als die van Huijbert Bontenbal, de oudste zoon van Leendert Claesz Bontenbal en Maritgen Corsdr. Hij zou bijvoorbeeld een broer van Mantgen Cornelisdr kunnen zijn en dus een zwager van Leendert Claesz Bontenbal. Huijbrecht Cornelisz van Bleiswijck zou bij de doop van Huibert Leendertsz Bontenbal, het kind van zijn zuster, als peter (rooms-katholieke periode) aanwezig zijn geweest. Maar zolang er niet meer gegevens beschikbaar komen, blijft dit alles een veronderstelling.

Ambachtsbewaarder

Wat wel vaststaat, is dat Michiel Claesz de functie van ambachtsbewaarder van Zevenhuizen bekleedde mm de jaren 1579/1580, 1580/1581 en 1587/1588. Het ambacht had twee ambachtsbewaarders en zij waren verantwoordelijk voor de administratieve- of bestuurszaken. Tevens hielden zij toezicht op de financiën en waren op dit punt verantwoording schuldig aan het Hoogheemraadschap Schieland. Om voor deze functie in aanmerking te komen, moesten zij ingelanden van het ambacht Zevenhuizen zijn en tevens moesten zij van oorsprong een flink vermogen bezitten.

De ambachtsbewaarders werden, net zoals de andere overheidsfunctionarissen, elk jaar omstreeks mei opnieuw gekozen door de ambachtsheer. Maar meestal bleef een van de ambachtsbewaarders in het college zitten zodat hij dan twee jaar diende. De verkiezing geschiedde op de volgende wijze: Jaarlijks voor Sint-Jacob werden twee nominanten voorgedragen door de schout, de zittende ambachtsbewaarders en de gezworenen. De ambachtsheer kon naar zijn believen uit deze dubbele nominatie een keus maken. Bij de voordracht moest wel de regel in acht genomen worden dat in het nieuwe zittingsjaar een van de ambachtsbewaarders in het Noordeinde woonachtig moest zijn en de andere ambachtsbewaarder in het Zuideinde. Bleef bijvoorbeeld de ambachtsbewaarder uit het Noordeinde nog een jaar in functie dan moesten de twee voorgedragen kandidaten uit het Zuideinde komen.

Ambachtsbewaarders hadden slechts zijdelings met het gerecht of de schepenbank van doen. Hun taak lag op het beheer van alle zaken die op het ambacht zelf betrekking hadden: de civiele zaken. Samen met de Schout droegen zij zorg voor het onderhoud van de wegen en paden, bruggen en sluizen, vaarten en sloten, molens en droogmakerijen, ovens, schoorstenen en brandweer, het rechthuis en niet te vergeten de kerk en de school.

Bij de jaarlijkse schouwen door de dijkgraaf waren dan ook een of twee ambachtsbewaarders aanwezig. Verder viel het beheer van de geldmiddelen onder de twee ambachtsbewaarders. Een van hen had dan ook een van de twee sleutels van de ambachtskist waarin de papieren en de gelden van het ambacht werden bewaard.

Verder inden zij de hoogheemraadschapsbelastingen en stelden zij de jaarlijkse ambachtsrekening ofwel het kasboek samen met daarin de inkomsten en de uitgaven die gedaan waren voor het Hoogheemraadschap Schieland. In figuur 12 is de frontpagina van het kasboek over het jaar 1587/1588 afgebeeld, met daarop de naam Michiel Claeszoon Bontenbal. Hij had als een van de twee ambachtsbewaarders van het ambacht Zevenhuizen dit kasboek opgesteld. Zeer waarschijnlijk heeft Michiel ook deze frontpagina met zijn ganzenveer op papier gezet, want het is te zien dat zijn achternaam met twee letters 1 is geschreven. Zoals verderop in dit boek wordt uitgelegd, werd deze schrijfwijze wel vaker door leden van het geslacht Bontenbal gebruikt bij het ondertekenen van akten.

Niet alleen Michiel Bontenbal heeft het ambt van ambachtsbewaarder bekleed maar ook Michiels schoonzoon, Jan Vollebrecht de Rou(w) die getrouwd was met Michiels enige dochter Aeltgen, was enkele jaren ambachtsbewaarder en wel in 1602 en 1603.

Eed van trouw

Ambachtsbewaarders, maar ook de andere functionarissen in het ambacht, werden voorgedragen uit de ingezetenen en waren over het algemeen zij die een zeker aanzien hadden, van onbesproken gedrag waren en in de smaak vielen bij de ambachtsheer. Bij hun aanstelling moesten zij een eed van trouw zweren. In een uit de 17de eeuw is de tekst van de eed die de ambachtsbewaarders en gezworenen moesten afleggen, vastgelegd en deze luidde als volgt:

“Wij Ambachtsbewaerders ende Geswoorenen sweeren, dat wij den Ambagts-Heer (Vrouwe) ende ’t Ambagt, elck in sijne gerechtigheijt sullen voorstaan, ende gesamentlijck met malcanderen, oprechte ende gelijckmatige omm eslagen sullen doen, ende voorts alles betrachten dat goede ende opregte Ambachtsbewaerders ende Geswoorens schuldig zijn ende behooren te doen, ende alle voorvallende saecken te sullen doen met kennis ende communicatie van de Heere (Ofte Vrouwe) van Sevenhuijsen ofte desselffs Gecommitteerde die Hij (Sij) daer toe sullen gelieven te committeren ende geen vergaderingen te leggen in absent van den Secretaris ofte gesubstitueerde Secretaris, oock alle resolutien die in’t Collegie ofte vergaderingen genomen sullen werden, secreet te sullen houden, sonder d’ selve directelijck ofte indirectelijck aen iemant te openbaren op poene van meijn eedichheijt ende daer en boven twee guldens voor de Armen bij de Contraventeurs te verbeuren.

Soo waerlijck moste haer God Almachtig helpen”

Bronvermelding

Bovenstaande tekst is afkomstig uit ‘Het Zuid-Hollandse geslacht Bontenbal: de oudste twaalf generaties (Rijswijk, 2005)’ geschreven door P.J. Bontenbal.