VIII – Het droevig lot van Neeltje in 1810

Volgens de kerkelijke registers van Zevenhuizen (Z12, blz. 18 en GZ14, blz. 235) is op 29 oktober 1810 aangifte gedaan van het overlijden van Neeltje Bontenbal. Deze normaal ogende vermelding heeft nogal wat hoofdbrekens gekost. Wie was zij; bij welke familie hoorde zij; waar en wanneer was zij geboren? Een doopakte van deze Neeltje Bontenbal is namelijk niet te vinden in de Zevenhuizense doopboeken of in die van omringende plaatsen. Wel waren in 1735, 1739 en 1768 drie meisjes met deze naam gedoopt, maar alle drie overleden op jeugdige leeftijd. Ook de in 1773 gedoopte Neeltje Bontenbal kan het niet zijn geweest, zij overleed pas in 1844.

Omdat er van Neeltje Bontenbal geen doopakte te vinden is, ligt een adoptie of wettiging voor de hand. Deze veronderstelling bracht de oplossing echter niet dichterbij. Door wie en wanneer zou dit dan gebeurd zijn?

Gerecht van Zevenhuizen

Het Rechterlijk Archief van Zevenhuizen (nrs. 118 en 119) bracht uiteindelijk de oplossing. In oktober 1810 legt namelijk een Neeltje Bontenbal voor de gerechtsbode van Zevenhuizen een verklaring af. Daaruit blijkt dat zij meerderjarig is en dat zij op 12 oktober verlost is van een onvoldragen, dood kind. Zij zegt dan dat een zekere jongeman Jan van Tol de vader is. Deze visser wil echter niet opdraaien voor de kosten en zij verzoekt het gerecht of zij wegens onvermogendheid pro Deo tegen hem mag procederen. In de verklaring geeft zij ook aan dat zij bij haar broer Gerrit Bontenbal in huis woont.

Deze laatste opmerking bracht de oplossing. In die tijd woonde in Zevenhuizen namelijk de ongetrouwde, 20-jarige Gerrit Bontenbal van wie de ouders waren overleden; zijn vader Claas Bontenbal (VIII-2) in 1791 en in 1808 zijn moeder Neeltje van Tol. Vader Claas Bontenbal was in 1789 als 54-jarige weduwnaar hertrouwd met de 34-jarige Neeltje van Tol. Zij bracht een 6-jarig kind mee, een meisje dat in 1783 gedoopt was en in het Zevenhuizense doopboek staat ingeschreven met de naam Neeltje van Tol. Het meisje kreeg dus bij de doop haar moeders achternaam maar de gedachte dat Claas Bontenbal haar biologische vader is, kan niet worden uitgesloten. Hij had tenslotte al eerder in 1759 een buitenechtelijk kind verwekt. Hoe de situatie ook geweest mag zijn, het meisje groeide na het huwelijk van haar moeder op in het gezin van Claas Bontenbal en zal daardoor de achternaam van haar (stief)vader al dan niet officieel zijn gaan gebruiken.

Droevige gebeurtenis

De gerechtelijke stukken brachten niet alleen de oplossing wie Neeltje was, maar behandelden ook een droevige gebeurtenis. In haar getuigenis voor de gerechtsbode van Zevenhuizen verklaarde zij “dat zij bij haar broeder inwoont en dat zij Jan van Tol als kennis van haar broer van tijd tot tijd bij hun thuis heeft gezien en gesproken. Dat Jan van Tol in den winter van 1809 op enen avond, zonder dat zij zig de precieze dag kan herinneren, zig ten huijze van mij heeft vervoegt op het tijdstip dat mijn broeder uytgenodigt was om bij de Chirurgijn alhier wafelen te eeten, zeggende dat uyt dien hoofde ik geen pot (= warm eten) behoefde in gereedheid te brengen. Dat vervolgens genoemde Jan van Tol zig veele onbetamelijkheden veroirlovende eindelijk zo verre gekoomen is, om aan mij ondergeteekende voor te slaan om met hem op het bed vleeschelijke conversatie te pleegen, daar toen alle moeijte aanwendde. Dat ik egter zulks volstrektelijk wijgerde, als toen is weggegaan dog tegen Paaschen van dit jaar weder is teruggekoomen. Als wanneer de gemelde Jongeman mij alleen vindende andermaals met alle drift zijne aanzoeken tot ontigt heeft herhaald als wanneer ik daarvoor besweeken ben met dat gevolg dat meergenoemde Jan van Tol toen op het bed met mij vleeschelijk conversatie heeft gehad en gepleegd. Dat zedert dien tijd Jan van Tol mij heeft gemijd, voorals daar ik ongesteld wordende meestal mijn huiijs genoodzaakt was te houden. Dat ik vervolgens hoelanger hoe ongestelder wordende daarover den Chirurgijn deser plaatse heb gesprooken, die aan waterzugt was toeschrijvende waardoor ook van mij geen denkbeeld van zwangerschap is opgekomen. Dat echter ik op den 12 October 1810 ben verlost van eenen onvoldragen doodgeboren kind waarvan ik in barensnood aan de beëdigde vroedvrouw dezer plaatse, als vader heb opgegeeven genoemde Jan van Tol gelijk ik ondergetekende dat ook nog op de heijligste wijze verklaare, dat de zelve daar van de vader is, en dat ik met geen andere manspersoon vleeschelijke gemeenschap heb gehad of gepleegd.

Vroedvrouw

Anna Cornelia Poppe, de vroedvrouw van Zevenhuizen, heeft Neeltje geholpen bij de bevalling. Maar deze, door de gemeente Zevenhuizen aangestelde en beëdigde vroedvrouw, had duidelijk nog een andere taak: zij moest erachter komen wie de vader was van het kind dat geboren zou worden. In een getuigenis afgelegd voor de gerechtsbode van Zevenhuizen deelde Anna Poppe mee dat zij “in het huis van Neeltje Bontenbal gekomen was en dat ik dezelve in barensnood bevindende verlossing dadelijk en alvorens tot enige overtegaan in geschikte bewordingen heb gevraagd wie de vader was van het kind waarvan zij stond te verlopen. Waarop deze Neeltje Bontenbal mij ten antwoord gaf dat Jan van Tol de vader was van het kind waarvan zij zwanger ging.

De vroedvrouw getuigt verder dat de bevalling die dag niet plaatsvond en dat zij de volgende dag weer aan Neeltje heeft gevraagd wie de vader van het kind was en dat Neeltje weer antwoordde dat het Jan van Tol was.

Volgens de getuigenis kwam de vroedvrouw ’s avonds weer terug en heeft toen, voordat het kind geboren werd, voor de derde maal aan Neeltje gevraagd of zij bleef bij haar verklaring dat Jan van Tol de vader van het kind was en of zij zulks voor God kon getuigen. Neeltje verklaarde weer “dat zij nooiijt met ijmand anders vleeschelijk had geconverseert en dat Jan van Tol de vader was van het kind en niemand anders.” Zij was zo stellig in haar bewering dat zij er nog aan toevoegde dat, als het ooit zover zou komen dat zij zou komen te overlijden “dat zij gerust daarop de dood zoude ingaan”. Na deze resolute verklaring heeft de vroedvrouw haar nog diezelfde avond kunnen verlossen van een doodgeboren kind.

Derde getuigenis

De gerechtsbode stelt nog een derde getuigenis op waarbij Neeltjes broer en buren verklaren dat zij bij de getuigenis die Neeltje heeft afgelegd, aanwezig zijn geweest en hetgeen wat daar gezegd is, goed hebben gehoord en onthouden. Daarna moesten zij de getuigenis ondertekenen waardoor zij beloofden dat, wanneer dat nodig was, zij deze getuigenis onder ede zouden bekrachtigen.

Dramatische afloop

Met deze drie getuigenissen kon de rechtszaak, waar Neeltje om gevraagd had, in gang worden gezet. Enkele brieven die hier over gewisseld werden tussen de Zevenhuizense burgermeester Langeveld en de Rotterdamse officier van Justitie Van Helt zijn nog in het archief van Zevenhuizen bewaard gebleven.

Dan komt blijkbaar onverwachts, zeventien dagen na de bevalling, de aangifte van het overlijden van Neeltje. Wat was hier gebeurd? Waren er lichamelijke complicaties opgetreden of speelde ook haar geestelijke toestand een rol? Het zal wel voor altijd onduidelijk blijven.

Haar broer Gerrit treedt nu op als eiser tegen Jan van Tol en verzoekt een bedrag aan geld voor de geleden kosten, zoals kraamkosten, begrafeniskosten van het kind en kosten voor mr. van Duijl, de chirurgijn. De officier van justitie stelt nog voor aan de burgermeester om dominee Knappert uit Zevenhuizen te laten bemiddelen en denkt aan betaling van een bedrag van 60 à 70 gulden. Maar Jan van Tol wil blijkbaar niet betalen, want volgens een brief van 13 november van de officier van justitie is de zaak nog niet opgelost en wordt er verder gewerkt aan de rechtzaak. De uitslag hiervan is niet gevonden in het archief van Zevenhuizen.

Eigenlijk is het ook niet zo belangrijk om te weten of er wel of niet een vergoeding aan Gerrit Bontenbal is betaald. Veel indringender is de gedachte dat Neeltje op de jeugdige leeftijd van 27 jaar op een kille herfstdag, zonder veel klokgelui, op een stille plaats op het kerkhof van de armen is begraven. Misschien alleen bijgewoond door haar enige naaste familielid haar stiefbroer Gerrit Bontenbal, de goede kennis van Jan van Tol.

Bronvermelding

Het grootse deel van bovenstaande tekst is afkomstig uit ‘Het Zuid-Hollandse geslacht Bontenbal: de oudste twaalf generaties (Rijswijk, 2005)’ geschreven door P.J. Bontenbal.