Leendert Bontenbal (IV-2) was de oudste van de twee zoons van Cors Lenertsz Bontenbal en Leentgen Jansdr. Beide ouders kwamen uit Zevenhuizen, maar woonden later aan ’t Hang in Rotterdam. Waarschijnlijk is Leendert daar omstreeks 1590 geboren. ’t Hang was de plek waar de visnetten hingen te drogen en waar onder andere de zeevissers woonden. Misschien was vader Cors Lenertsz ook wel visser maar dat is niet duidelijk. In ieder geval oefende zoon Leendert Corsz een beroep uit dat met de visserij te maken had. Net als zijn broer Jan Corsz (IV-3), zijn ooms Willem Lenertsz (111-3) en Jasper Jansz (LII-4) en zijn neef Jan Willemsz (111-3-1) was hij kuiper. Het beroep van kuiper vereiste vakkennis, vakmanschap en routine; kundigheden die in die tijd het beste binnen een familieband aangeleerd en doorgegeven konden worden. Daarnaast waren zij lid van het Rotterdamse kuipersgilde met de naam het Sint-Jansgilde. Zo’n gilde was niet alleen een garantie voor de kwaliteit van de kuipen en tonnen die afgeleverd werden, maar diende ook als sociaal vangnet voor de gildeleden.
Laster
Kuiper Leendert Corsz Bontenbal woont in 1635 op de Wolfshoek, gelegen op de hoek van de Leuvehaven en de Blaak(haven) te Rotterdam. In dat jaar had hij de knecht Dirck Lourisz in dienst. Dit is te lezen in een akte uit 1636 van notaris Adriaen Molswijck uit Schiedam. Dirck Lourisz getuigt op verzoek van een andere kuiper en legt dan enkele opmerkelijke en belastende verklaringen af tegen zijn vroegere baas.
Allereerst beweert hij dat Leendert Bontenbal op een avond in 1635 een partij “hoepen” (= hoepels) uit het water gehaald heeft, die daar door iemand anders waren gelegd om in te wateren. Hij getuigt verder dat enkele dagen daarna Leendert 40 bossen “dogen” (= duigen), die ook lagen in te wateren, heeft toegeëigend. Omstreeks dezelfde tijd heeft hij een boot, waarachter een partij hoepels was bevestigd, weggenomen en de hoepels naar zijn huis gebracht. Vervolgens heeft hij de boot laten wegdrijven. Tot slot laat hij optekenen dat op een zekere avond Leendert Bontenbal in het pakhuis van Cornelis Paplepel een half vat wijn heeft afgetapt en de wijn naar zijn huis heeft vervoerd.
De knecht is zeer zeker van deze zaak, want hij heeft geholpen met het vervoer van het vat naar het huis van zijn baas en ook heeft hij daarna geholpen met het drinken van de wijn. Dirck Lourisz geeft aan dat dit drinken gebeurde op een “bijeencomste van het verteeren van een cabbeliou die bij de Cuijpers gasten daer toe goedt gemaeckt was”.
Het heeft Dirck waarschijnlijk goed gesmaakt en schuldbesef was er niet bij toen hij zat te eten en te drinken.
De reden dat hij een jaar later deze lasteringen laat registreren is niet duidelijk. Was het uit wroeging? Was het rancune na een ruzie met zijn vroegere baas Leendert Bontenbal of was hier weer sprake van een komplot? Het is namelijk opvallend dat ook deze akte opgesteld is door notaris Molswijck, dezelfde die ook bezwarende attestaties opstelde tegen wijnkoopman Jasper Bontenbal en dominee Jacobus Bontenbal.
Het is niet aan te tonen dat de drie akten met hetzelfde doel zijn opgesteld, maar een en ander ligt wel voor de hand.
Bronvermelding
Bovenstaande tekst is afkomstig uit ‘Het Zuid-Hollandse geslacht Bontenbal: de oudste twaalf generaties (Rijswijk, 2005)’ geschreven door P.J. Bontenbal.
