Bulgakov – Unfading Light (2) – Hoe is religie mogelijk?

Bulgakov begint Unfading Light met een reactie op Immanuel Kant. De vraag die Kant zichzelf stelt in de Kritik der reinen Vernunft luidt: “Hoe is wetenschap mogelijk als objectieve algemeen betekenisvolle kennis, als het überhaupt mogelijk is?” In zijn Kritik der praktischen Vernunft en Kritik der Urteilskraft behandelt Kant de moraal respectievelijk het beoordelingsvermogen. In het boek met de veelzeggende titel De religie binnen de grenzen van het redelijke beschrijft Kant zijn visie op de plaats van religie[1]. Gebed, kerkgang, doop en communie zijn volgens Kant op zijn best niets meer dan moraal, en in het slechtste geval “fetisjistisch geloof” of “waangeloof”, pogingen van de kerk om het volk onder controle te houden.

Bulgakov is niet tevreden met Kants antwoord en gaat verder met de vraag hoe religie toch mogelijk is en legt uit dat juist deze “afgoderij” de kern is van religie; er is wel iets zinnigs te zeggen over religie ondanks dat de wetenschappelijke methode niet van toepassing is. De vraag naar de mogelijkheid van religie komt het dichtst bij de inhoud van Kants derde kritiek, de Kritik der Urteilskraft. Volgens Kant is gevoel voor schoonheid een ‘vermogen’, vergelijkbaar met het denkvermogen. Dit vermogen is a priori in staat tot het beoordelen van de mededeelbaarheid van gevoelens die in verband staan met een gegeven representatie/kunstuiting, ofwel dit vermogen is in staat tot het beoordelen van schoonheid.

Bulgakov stelt de vraag of er een vergelijkbaar religieus vermogen is, een vermogen dat in staat is om de transcendente aard van religie te ontdekken. Hiervoor is het niet nodig om religieuze uitspraken inhoudelijk te beoordelen. Het gegeven dát de mens een religieus wezen is, is genoeg voor een transcendentale analyse van religie. Religie is zo universeel dat het onmogelijk is om te beweren dat religieuze uitingen totale onzin zijn, net zo min als dat mogelijk is voor uitspraken op artistiek, ethisch of zelfs wetenschappelijk gebied. Analoog aan Kants drie Kritieken, schetst Bulgakov een vierde kritiek waarin religie mogelijk is.

Religie definieert Bulgakov als de erkenning en ervaring van een band, een verbinding, een connectie met iets dat het menselijke overstijgt, met andere woorden: met God. Anders gezegd: religie is de ervaring van het transcendente dat immanent geworden is, zonder haar transcendente karakter te verliezen, ofwel de ervaring van het transcendente-immanente. Anders dan in de wetenschap verzekert de religieuze ervaring de mens van een realiteit die onze werkelijkheid ontstijgt, niet door middel van experimenten of logisch denken, maar door het leiden van een leven waarin de onmiddellijke band met deze religieuze werkelijkheid ervaren wordt. Religieuze ervaring is in eerste instantie niet wetenschappelijk, filosofisch, esthetisch of ethisch. Het is niet mogelijk om schoonheid te ervaren met alleen het denkvermogen, het denken geeft een kleurloze weergave van religieuze ervaring. Om religie te begrijpen moet men de fenomenologie van religie bestuderen. Deze fenomenologie bestaat uit de levens van heiligen, asceten, profeten en de stichters van een religie, de literatuur, cultus en gebruiken in religie, alsmede ieders persoonlijke ervaring. Dit leidt tot betrouwbaarder ‘kennis’ op het gebied van religie dan abstract filosoferen.


[1] Zie Die Religion innerhalb der Grenzen der bloßen Vernunft, 1793, in de vertaling van Van Eekert, Van Herck en Lemmens (2010).