Pseudo-Dionysius de Areopagiet over transcendentie

De vraag die in dit essay centraal staat, is hoe Pseudo-Dionysius het begrip transcendentie op God toepast, en hoe zijn denken hieromtrent beïnvloed is door Gregorius van Nyssa en Proclus.

Gregorius van Nyssa

Gregorius van Nyssa vormt samen met zijn broer van Basilius van Caesarea en Gregorius van Nazianze, het drietal dat de Cappadocische vaders genoemd wordt, invloedrijke theologen uit de 4e eeuw uit een streek die in het hedendaagse Turkije ligt en toen Cappadocië genoemd werd. Gregorius put uit het werk van Origenes en Clemens, en in mindere mate uit dat van Plato. Bekende werken van Gregorius van Nyssa zijn de prekenserie over het Hooglied, On The Making of Man, en Over het leven van Mozes.

Als God werkelijk transcendent is, als God dus boven en buiten de schepping staat, vraagt Gregorius zich af, hoe is kennis van God dan mogelijk? Een kernbegrip in Gregorius’ denken is dat van ‘creatio ex nihilo’: de idee dat God de wereld uit het niets geschapen heeft, waaruit hij concludeert dat de schepping een emanatie van God is; een gedachte die in zijn tijd niet ongewoon was. Volgens Gregorius gaat God voorbij aan het zijn en aan het denken, God is …

… not able to be described by name or thought or any other power of intellectual apprehension, whether merely human, or even transcending angelic and all supermundane intelligence, ineffable and inexpressible and beyond anything that can be described in words, which has one name indicating its own nature, that it is alone above every name …”

(Contra Eunomius I, 683)[1]

Aan de hand van het leven van Mozes illustreert Gregorius de mogelijkheid van kennis van het ‘sublieme’ in drie stadia: het naderen van de berg Sinaï is een allegorie voor het proces van reiniging; het ingaan in de duisternis toont Gods onkenbaarheid; het aanschouwen van de hemelse tabernakel staat symbool voor het mysterie van de eenwording met God[2].

Gregorius’ begrip van een oneindige God, een God voorbij het menselijk begrip, maakt ook een ander kernbegrip van Gregorius duidelijk, dat van epektasis, de idee dat God de Schepper per definitie niet gevangen kan worden in menselijke categorieën, en dus niet alleen ontologisch maar ook epistemologisch transcendent is[3]. God is voorbij zijn én voorbij kennen. Het is volgens Gregorius wel mogelijk om tot God te naderen maar hoewel Mozes in Over het leven van Mozes tot God nadert, is er geen sprake van volledige éénwording:

“…he continually climbed to the step above and never ceased to rise higher, because he always found a step higher than the one he had attained.[4]”

Proclus

Een andere autoriteit waarop Pseudo-Dionysius zich baseert, is Proclus (412 – 485 na Chr.). Een belangrijk kernbegrip in het neoplatoons denken is oorzakelijkheid. Wat is de oorzaak van alle zijnden? Hoe kan deze oorzaak in of bij de zijnden zijn? Hoe bereikt de mens kennis van de eerste oorzaak? De algemene redenering in het neoplatonisme luidt: alles wat is, is veroorzaakt door een transcendent eerste beginsel. Al het zijnde moet een oorzaak hebben die voorbij het zijnde gelegen is, wil het een ware oorzaak zijn. De Aristotelische materiele oorzaak en formele oorzaak zijn volgens Proclus dan ook geen oorzaak in de ware zin des woords.

In de tweede helft van Elements of Theology behandelt Proclus de ware oorzaken. Proclus beschrijft een ononderbroken hiërarchie waarin bovenaan het Ene staat en onderaan de zijnden, en daar tussen de geest en de ziel. Hoe verder van het eerste beginsel verwijderd, hoe minder het Ene aanwezig is. Ook Proclus vraagt zich af hoe kennis van de eerste oorzaak mogelijk is, en in hoeverre dit eerste principe benoemd kan worden. Proclus gebruikt in deze context de paradoxale begrippen prohodos en monê, oftewel voortkomst en verblijven. Alle zijnden komen voort uit het Ene en verlangen naar eenwording/terugkeer, (epistrophê)[5].

Net als Pseudo-Dionysius later zal doen, waagt ook Proclus zich aan een uitputtende opnoeming van de namen van het Ene. Hoewel ‘Ene’ volgens Proclus de meest bruikbare naam is, is strikt genomen iedere naamgeving slechts het gevolg van het verlangen van de ziel om één te worden met het Ene.

Pseudo-Dionysius de Areopagiet

Het was vermoedelijk een leerling van Proclus die het werk schreef met de naam Over mystieke theologie, een werk dat denkers van divers pluimage van de vroege Middeleeuwen tot aan vandaag heeft beïnvloed[6]. Het is geschreven door een onbekende auteur die claimt Dionysius de Areopagiet te zijn, een leerling van de apostel Paulus. Andere werken van deze Pseudo-Dionysius de Areopagiet zijn Over goddelijke namen, Over de hemelse hiërarchie, Over de kerkelijke hiërarchie en een tiental brieven. Het denken van zowel de Cappadocische vaders als dat van neoplatonici als Proclus is onmiskenbaar aanwezig[7].

Voor het begrip transcendentie zijn twee werken van belang: Over goddelijke namen beschrijft God in termen van  ‘groter dan’, bijvoorbeeld ‘groter dan Goed’ en ‘groter dan Zijn’. Pseudo-Dionysius gebruikt hiervoor vergelijkbare namen als Proclus, zoals ‘Zijn’ en ‘Leven, maar ook namen als ‘Wijsheid’, ‘Macht’, ‘Vrede’, die van Gregorius van Nyssa afkomstig zijn[8].

Over mystieke theologie zou beschouwd kunnen worden als het vervolg hierop, en het gebed aan het begin laat zien dat de insteek afwijkt van Over goddelijke namen:

Drievoudigheid, bovenwezenlijke, meer dan goddelijke, meer dan goede behoeder van de Godswijsheid van de christenen, …

(Over mystieke theologie, 1, 997A[9])

Pseudo-Dionysius maakt een rondtrekkende beweging langs de grenzen van het transcendente, op zoek naar woorden om dat wat voorbij de grens ligt te duiden, om direct daarna uit te leggen dat God toch voorbij deze concepten gaat[10]. In navolging van Gregorius gebruikt Dionysius ook Mozes als metafoor voor deze zoektocht:

“En dan maakt hij zich ook van dat alles los
van wat kan worden gezien en wat zien kan
en dringt binnen
in het duister van het niet-weten
het wezenlijk mystieke duister
waarin hij iedere aanspraak op kennis laat zwijgen”

(Over mystieke theologie, I, 1001A).

Mozes gaat voorbij aan het zichtbare en betreedt de duisternis van niet-kennen. En zelfs dan heeft Mozes nog niet de eenwording met God bereikt. Na een proces van affirmatie en negatie komt Pseudo-Dionysius iedere keer tot de conclusie dat het transcendente niet te vatten is in woorden of concepten, zoals ook Gregorius van Nyssa al eerder duidelijk maakte. Pseudo-Dionysius schrijft:

“ook is zij geen geest zoals wij die kennen
noch is zij zoonschap noch vaderschap
noch iets wat bekend is bij ons of bij enig ander wezen
noch is zij enig niet-bestaand wezen, noch enig wezen dat bestaat
noch kennen de wezens haar zoals zij zelf is
noch kent zij de wezens zoals de wezens zijn
noch bestaat er van haar een woord noch een naam noch kennis
noch is zij duisternis, noch licht
noch is zij dwaling, noch waarheid”

(Over mystieke theologie, V).

De kloof tussen God en de werkelijkheid die ik aan het begin van dit essay beschreef en het onvermogen hier woorden aan te geven, vindt weerklank bij Pseudo-Dionysius. In lijn met Plotinus concludeert Pseudo-Dionysius dat kennis van het transcendente niet mogelijk is, de extatische eenwording met God is niet in woorden uit te drukken. Hoe hij deze twee met elkaar verenigt, blijft een vraag.

Andere vragen die blijven staan zijn (1) op welke manier wordt de weg naar henosis beschreven in Over de hemelse hiërarchie en Over de kerkelijke hiërarchie? (2) hoe verhoudt de absolute transcendentie zich tot de incarnatie? en (3) welke oplossing heeft Pseudo-Dionysius voor de discrepantie tussen Proclus’ causale hiërarchie en de absolute transcendentie van Gregorius van Nyssa?


[1] Vertaling van Stuart George Hall (Brugarolas 2018).

[2] Voor een introductie in de mystieke teksten van Gregorius van Nyssa, zie From Glory to Glory (Daniélou 1995).

[3] Zie On the Platonism of Gregory of Nyssa (Rist 2000).

[4] Zie Gregory of Nyssa: The Life of Moses (Malherbe and Ferguson 1978)

[5] Proclus’ invloed op Pseudo-Dionysius is uitgebreid beschreven door Schomakers (Schomakers 1990) die gebruik maakte van de vertaling van Elements of Theology van Dodds (1963).

[6] Waaronder Eriugena, Hildegard von Bingen, Meister Eckhart en Nicholas Cusanus alsook moderne denkers als Jean-Luc Marion en Jacques Derrida.

[7] De neoplatoonse invloed is uitgebreid beschreven door o.a. Paul Rorem (1993) en Eric Perl (2007).

[8] Deze observatie komt van Christian Schäfer (Philosophy of Dionysius the Areopagite 2006).

[9] Alle vertalingen van Over mystieke theologie zijn afkomstig van de vertaling van Michiel ter Horst (2015). Het behoud van lange zinnen en de opmaak zijn een keuze van de vertaler.

[10] Voor wie een helder overzicht wil van de negatieve theologie vanaf Plato tot Eriugena, zie Deirdre Carabine (The Unknown God 1995).