Putnam en ‘brains in a vat’

Ben ik een ‘brein in een vat’? Met andere woorden: bestaat de buitenwereld wel? Een scepticus zal deze vragen ontkennend beantwoorden. De filosoof Hilary Putnam heeft een nieuwe poging gedaan om een tegenargument te ontwikkelen.

Schematische weergave van het gedachte-experiment

Stel je een evil scientist voor die jouw brein aangesloten heeft op een simulator (zie figuur). Deze simulator is zo geavanceerd dat de illusie die geproduceerd wordt niet onderscheiden kan worden van de werkelijkheid door de proefpersoon; sterker nog: hij zou de levendige indruk kunnen hebben dat hij denkt aan een evil scientist die zijn brein aangesloten heeft op een simulator. Kan dit kloppen? Nee, stelt Putnam [1], want hoewel de proefpersoon hetzelfde kan denken en zeggen als wij, kunnen ze niet verwijzen naar dat waar wij naar verwijzen. Waarom niet?

Volgens Putnam verwijzen de objecten in het brein van de proefpersoon naar de objecten in de software van de simulator, die op hun beurt verwijzen naar objecten in de wereld van de evil scientist die de simulator geprogrammeerd heeft. Er is dus een causale koppeling tussen het vat waar de proefpersoon aan denkt en het vat waar de evil scientist het brein in geplaatst heeft. Wie beweert dat we een brein in een vat zijn, verwijst uiteindelijk naar het vat van de evil scientist. De proefpersoon kan wel denken “wij zijn een brein in een vat” maar omdat er een scientist is die zelf niet in een vat zit, is de uitspraak onwaar.

Laten we er nu van uitgaan dat de simulator altijd al heeft bestaan zonder dat er überhaupt een evil scientist aan te pas kwam. Klopt de hypothese dat we breinen in vaten zijn dan wel? De objecten in het brein van de proefpersoon zijn nu immers niet meer gekoppeld aan de objecten in de echte wereld; de causale keten tussen een echte appel en een appel in het brein van de proefpersoon is verbroken. Toch heeft de scepticus volgens Putnam nog steeds ongelijk. Aangenomen dat we een brein in een vat zijn, kan “brein” niet meer verwijzen naar ons echte brein en “vat” niet naar het echte vat. Dus de uitspraak “we zijn een brein in een vat” is een logische tegenspraak.

Is het eventueel mogelijk dat de proefpersoon een hypothese denkt die lijkt op de hypothese “wij zijn een brein in een vat”? Heeft de proefpersoon misschien niet letterlijk gelijk maar wel figuurlijk? Op dit punt aangekomen maakt Putnam maakt onderscheid tussen een internalistisch perspectief en een externalistisch perspectief. Vanuit een externalistisch perspectief is er een God’s eye point of view [1], een overkoepelend perspectief waarin begrippen corresponderen met de werkelijkheid. Daar tegenover staat een internalistisch perspectief waarin het Ding-an-Sich onbekend blijft. Het verschil tussen “wij zijn een brein in een vat” en “we zijn zoiets als een brein in een vat” kan alleen bepaald worden vanuit een externalistisch perspectief, dus alsof de evil scientist toch bestaat. En dan komen we weer terug bij het eerste scenario waarin de hypothese onwaar is.

Tot ver in de Middeleeuwen baseerde zich men op de metafysica van de Grieken. Aristoteles zou gezegd hebben dat ik, als brein in een vat, de werkelijkheid kan waarnemen omdat het licht van het intellect de vormen beschijnt en de vormen laat corresponderen met de vorm van het denken [2]. Als ik een appel waarneem, kan dat omdat de appel letterlijk gelijk-vormig is met het beeld [3] van de appel in mijn brein. Putnam noemt dit een similitude theory of reference [4].

Putnam legt uit waarom niet alleen Descartes’ sceptisch idealisme maar ook Berkeley’s subjectief idealisme onjuist is. Het beeld in mijn brein van bijvoorbeeld een tafel kan uiteraard niet dezelfde eigenschappen hebben als de tafel in de werkelijkheid; een tafel in mijn brein is niet letterlijk 91 cm. Descartes en Locke lossen dit op door een uitzondering te maken voor ‘secundaire eigenschappen’ maar er blijken geen primaire eigenschappen meer over te blijven. Berkeley daarentegen maakt in feite gebruik van dezelfde theorie als Aristoteles, en voor Kant is dat onmogelijk, legt Putnam uit, en hij concludeert dat hij met Kant nog maar één optie ziet: intern realisme, dat wil zeggen dat de werkelijkheid wel kenbaar is maar die kennis afhankelijk is van ons denkvermogen; er kunnen meerdere waarheden naast elkaar bestaan. Wat zijn de alternatieven? Ik schets drie denkrichtingen[5]. De eerste is een ‘magical theory of reference‘. Dat betekent dat begrippen naar objecten kunnen verwijzen zonder dat er een rationele grondslag voor gegeven is. De tweede is het opvoeren van een Aristotelisch intellect dat ervoor zorgt dat begrippen en objecten aan elkaar gekoppeld zijn, vergelijkbaar met de functie van de computer in het experiment. De laatste is een Hegeliaanse fenomenologie. Wat de meest overtuigende denk richting is, laat ik aan de lezer.


[1] In Reason, Truth and History, pp. 1-21 ​(Putnam 1981)​

[2] Denk aan Descartes’ Les Meditations Metaphysiques ​(Ariew and Watkins 2019)​ waarin hij een ‘mauvais génie’ (kwade genius) opvoert. Hoewel er op het eerste gezicht overeenkomsten zijn tussen het gedachte-experiment van Descartes en dat van Putnam, is het doel verschillend. Waar Descartes door middel van radicale scepsis wil laten zien dat het mogelijk is om een nieuwe grondslag van de wetenschap op te zetten, concludeert Putnam dat globaal scepticisme onmogelijk is.

[3] Zie De Anima III.5, 430a [10-20], pp. 297 ​(Schomakers 2000)​.

[4] In De Anima III.3, 429a [30], pp. 291 ​(Schomakers 2000)​ noemt Aristoteles dit een phantasme en stelt dat het woord verwant is aan het woord phos, licht.

[5] Zie Reason, Truth and History (1981, pp. 57).


Bibliografie

  1. Ariew, Roger, and Eric Watkins. 2019. Modern Philosophy; An Anthology of Primary Sources. Hackett Publishing Company.
  2. Putnam, Hilary. 1981. “Reason, Truth and History.” Cambridge University Press. doi:10.1017/cbo9780511625398.
  3. Schomakers, Ben. 2000. Aristoteles, De Ziel. Damon.